Nadat we Jill en Willemijn zondagochtend hebben uitgezoend en uitgezwaaid maken we ons klaar voor de  oversteek van 300 zeemijlen naar de Faeröer. Eenmaal buiten de fjord van Seydisfjördur verdwijnt de zon achter de wolken en neemt de wind toe.
De golven bouwen zich op en met uiteindelijk twee riffen in het grootzeil  maken we met ruime wind een snelheid van ca. zes knopen. Koen worstelt met de deining en kleurt wat grauw. Na een etmaal schommelen neemt zijn zeeziekte wat af en wordt de Gopro-camera op alle denkbare posities gemonteerd. Met nog honderd zeemijl voor de boeg houdt de autopilot er mee op en gaan we noodgedwongen over op het beurtelings sturen met de hand. Onderweg zien naast de altijd aanwezige Noordse stormvogels ook voor het eerst weer Jan van Genten. Zeezoogdieren laten zich helaas niet zien in de onrustige zee.

Met de Faeröer in zicht breekt de zon door. We duiken met de golven in de rug vanuit het noorden de zeestraat in tussen de eilanden Vagar en Streymoy. Links en rechts steile rotswanden en grashellingen waarop schapen zich in evenwicht weten te houden. Op enkele huisjes na ziet het land er kaal en verlaten uit.

Dinsdagavond maken we onze entree in het hoofdstadje Tórshavn en vallen we met onze neus in de boter. Het is de nationale feestdag en de hele Faroëse bevolking van 50.000 zielen blijkt zich in Tórshavn te hebben verzameld. In de overvolle haven vinden we met veel geluk nog een open gevallen plekje omdat  vlak voor onze binnenkomst een Frans jacht vertrekt. Op de kade wordt gedanst en muziek gemaakt, er spelen bandjes en er is een heuse kermis. Het valt ons op hoeveel tieners en kleine kinderen er wel niet rondlopen. We voegen ons in de mêlee.

Woensdag repareren we de autopilot, simpelweg door het opnieuw inschakelen van een achter een paneel verborgen automatische zekering.
Bij het raadplegen van de gribfiles en de synoptische kaarten zien we dat er vanaf zaterdag veel wind vanuit het zuiden wordt verwacht, waardoor we besluiten vanmiddag alweer te vertrekken richting Orkneys.

Maar niet zonder eerst het stadje verder te verkennen. Bij het oude parlementsgebouw, omringd door houten huisjes met grasdaken, zingt een koor van circa honderdvijftig in klederdracht gestoken mannen en vrouwen meerstemmige Faroëse liederen. We genieten van de muziek en de mooie mensen, maar ook van de traditionele saamhorigheid die deze eilandgemeenschap uitstraalt. Zo geïsoleerd als de Faeröer zijn (semi-autonoom deel van Denemarken en op internet verguisd vanwege de bloederige drijfjachten op grienden), we krijgen allesbehalve de indruk van een wegkwijnende rurale randcultuur. De Faeröer blijkt alive and kicking.

De havenmeester en de douane zijn blijkbaar ook aan het feesten want ondanks onze goede wil lukt het niet om in en uit te klaren en de havengelden te voldoen.
De trossen gaan los… nieuwe horizonten tegemoet.