Na drie dagen pruttelen door een grijze stille lucht over een even grijze gladde zee, waarbij we geen enkel schip zijn tegengekomen, is het weer afgelopen nacht eindelijk omgeslagen. De wind steekt op, de zon breekt door en water en lucht krijgen weer kleur. De motor is uit, we zeilen weer. Op gennaker en bezaan varen we met wind NNW 5 Beaufort een ruime zuidwestelijke koers. In de middag knapt de val van de gennaker boven in de mast en het honderd vierkante meter blauwgroene zeildoek belandt naast de boot in zee. We trekken de gennaker onder de kiel door naar loef en staan verbaasd hoe snel we de enorme lap weer aan boord hebben en in de zeilzak hebben opgeborgen. Gelukkig hebben we geen schade, afgezien dan van de gennakerval zelf, die een metertje korter zal moeten worden. Maar waardoor is die dikke val doorgeschavield? Dat wordt weer klimmen in de mast.

Vanmiddag 16 juli om 16:10 roept Else vanuit de kuip: Land in zicht!. In het heiige tegenlicht zien we ver weg de contour van de Beerenberg opdoemen, de besneeuwde vulkaan die vanaf de zeebodem oprijst en het het eiland Jan Mayen vormt. We hopen dat de mist en regen waar Jan Mayen zo berucht om is, wegblijven.

Op deze breedte hebben gaat de zon nog steeds niet onder, maar langzaam bemerken we iets dat we in weken niet hebben meegemaakt, .. dat het avond wordt.
Met vijf knopen deinen we op kluiver en bezaan in de richting van het afgelegen eiland. Hmm… er doemen laag hangende wolken op.