Inmiddels varen we voor de derde dag over de Groenlandse Zee volgense de korste lijn (grootcirkel) van Spitsbergen naar Jan Mayen.

Met ons drieën hebben we een ritme van achtereenvolgens vier uur slaap, vier uur stand-by en vier uur wacht. De zeekoeten, papegaaiduikers en kleine alken hebben we achter ons gelaten. Een
enkele keer worden we nog bezocht door een paar drieteenmeeuwen, altijd begeleid door een middelste jager, maar inmiddels, 250-300 zeemijl vanaf land, midden in de driehoek Spitsbergen-Jan Mayen-Groenland, blijven alleen de Noordse stormvogels ons trouw. Net als de afgelopen weken staat er nog steeds geen wind. De zee is rimpelloos op een lichte deining. We zijn blij met onze halve ton diesel in de tanks en ronken bij laag toerental met een snelheid van 5 knopen door een onaardse wereld. Afstanden tot de horizon zijn niet te schatten en vaak is er helemaal geen kim tussen de tinten grijs te onderscheiden. Onze sonar kan de zeebodem allang niet meer peilen, maar volgens de kaarten hebben we meer dan drie kilometer water onder de kiel.

Dan wordt er vanuit de kuip geroepen: ‘blooowww’. We verleggen de koers en liggen even later langszij een enorme potvis die met luid geblaas en gesproei diep ademhaalt. We leggen de motor stil. Zijn spuitgat zien we duidelijk linksvoor op de kop als een een groot ventiel open en dicht gaan. Dan zwemt hij op ons toe, maar vlak voordat hij ons ramt kromt hij zijn rug, heft zijn dikke rafelige staart boven het water uit en duikt hij naar de diepzee.

Het lag al op mijn lippen, maar nu is het een feit: “Cachalot meets cachalot”.

Dinsdagavond om 23:15 passeren we de Greenwich-meridiaan, wat we vieren met een toost, de voordracht een gelegenheidsgedichtje en tot nullen bewerkte stroopwafels.

Het begint te motregenen. De kluiver blijft slap hangen en wordt weer ingerold.
We brommen rustig door en tellen onze mijlen en liters brandstof.