21 juni, de langste dag brengen we door met een verkenning van Bereneiland.
In de baai waar we voor anker liggen vinden we de roestige restanten van een walvisstation, lieren om de walvissen de kant op te trekken, een grote stoomketel voor de aandrijving, traanketels en tientallen walvisbeenderen. Het landschap rond de baai bestaat uit glooiende hellingen met dikke mostapijten die abrupt eindigen in loodrechte steilwanden boven zee. Aan de noordzijde van Bereneiland bevindt zich een Noors meteorologisch station, die we later oproepen voor een goede weersverwachting (“de komende 10 dagen geen wind”). Hier aan de zuidoostzijde van het eiland struinen wij rond in prachtig ongerepte natuur. Bij een van de talloze meertjes staan we geboeid te kijken hoe honderden drieteenmeeuwen keer op keer van het water opstijgen, rondvliegen en weer neerstrijken. Boven op een heuvel bij onze baai vinden we een oud graf van een zeeman. We fantaseren dat het misschien wel een van van de mannen van Willem Baerends kan zijn, die in de zelfde baai als wij ankerden en aan land gingen, waarbij ze oog in oog kwamen te staan met een vreemde grote witte beer.